Tot m’n knieën, en niet verder

De buurjongen studeert fiscale economie en bedrijfskunde. De oplaadpaal van de Tesla van zijn vader, De Buurman, knippert ’s nachts een groen licht mijn slaapkamerraam in. Wanneer ik ‘s ochtends mijn gordijnen open en vanaf de begane grond de straat inkijk, zie ik de buurjongen soms zijn zwartleren tas om zijn schouder slingeren en van huis vertrekken. We groeten elkaar dan vriendelijk.

Ik heb één groot vooroordeel jegens de buurjongen, namelijk mijn eigen aannames over de vooroordelen van de buurjongen jegens mezelf. Ik zit in mijn groene HEMA badjas in de voortuin. Mijn stoel staat met twee poten in het bosje dat de scheiding met de voortuin van de buurvrouw vormt, want alleen zo zijn de voorzichtige zonnestralen alvast op te vangen, en in de schaduw is het net te fris om in je eentje het terug naar binnen gaan uit te stellen. Op het op zijn kant gezette bierkrat staan twee borden met eierschalen en kruimels, geen bestek. Het is maart, iets voor negenen op een doordeweekse dag. Mijn huisgenoot is zojuist naar college vertrokken, ik heb vrij. Ik heb eigenlijk altijd vrij. Mijn thee staat koud te worden, maar ik zal het zo dadelijk alsnog opdrinken voor ik het kopje mee naar binnen balanceer op de borden.

Het is nog stil op straat, en ik bel met mijn vader om te vertellen over een sollicitatie waarbij ik het niet ben geworden. Ik moet alleen nog even bedenken in hoeverre het de bedoeling is dat ik mijn opluchting daarover aan hem kenbaar maak.
“Jammer,” zegt hij nu, “heb je nog andere lijntjes lopen?”
Of ik nog andere lijntjes heb lopen.
“Jawel,” zeg ik, nog weinig aangedaan, “ik ga deze week nog op wat dingen reageren.”
“Wel doen hé.”
“Ja pap, komt goed.”
“Weet ik, kindje.” Hij is even stil, en zegt dan: “Je bent wel veerkrachtiger geworden.”
Daar ben ik dan even stil van.
Een paar jaar geleden kreeg ik van mijn ouders het boek De cursus omgaan met teleurstellingen gaat wederom niet door van Herman Finkers kado. Ik wist toen niet of ik het tekstje wat ze aan de binnenkant hadden gekriebeld sneerig vond. (Nu wel). Voor iemand die alle tijd heeft, kan ik me aardig opgejaagd voelen over wat ik daar allemaal mee zou moeten doen. Het schijnt dat dat het ding van mijn generatie is, dat we haast beter tegenslagen kunnen ervaren. Dan heb je tenminste nog een excuus.

De buurjongen komt naar buiten en slingert zijn zwartleren tas over zijn schouder. We groeten elkaar vriendelijk. Dan vraag ik mijn vader hoe het met Aad is.
Ik blijk op speaker te staan. “Bij mij trekken jullie de stekker er maar uit hoor,” hoor ik mijn moeder roepen. “Zonder dollen.” Het lukt haar deze uitspraak ondanks haar stemverheffing als zucht te laten klinken. Mijn ouders zijn inmiddels van de leeftijd dat de kwaaltjes van hun vrienden niet zomaar meer zijn te genezen met wat paracetamol en ‘rustig aan doen.’ Die van hunzelf ook niet, trouwens.
“Wat? Nee, dat kan ik toch maar beter vast gezegd hebben? Hoor eens, lieverd, dat bedoel ik niet cru, maar ik kan het maar beter vast gezegd hebben. Moeten we dat eigenlijk niet ergens hebben opgeschreven?”
Het gesprek gaat een kant op die me er bewust van maakt dat het raam van het stel waarmee we de bovenverdieping delen openstaat. De voorkeur voor vrijwillig levenseinde heeft als onderwerp toch niet helemaal de luchtige air die tussen de gordijnen door naar binnen waait om je te vertellen dat de dag begint. Ik vraag of we het er een andere keer over kunnen hebben. Dat kan, maar het is toch maar vast gezegd. En: “Wij gaan voorlopig nog niet te pijp uit, schat.” Ik doe aan plaatsvervangend afkloppen, en besluit dat de takjes van het bosje van de buurvrouw tellen als onbewerkt hout.

Mijn moeder jaagt mijn vader naar zijn thuiswerkkantoor, zelf spijbelt ze graag als er iets met mij te doen valt. Ze begint te vertellen over de plannen voor de zomer, en boven mij ontwaken Luc en Jemine.
“Wen!” hoor ik. “Goeiemorgen!” Ik leg mijn hoofd in mijn nek en leun achterover, en zie het extatische gezicht van mijn bovenbuurman (bovenbuurjongen?) uit het open raam hangen. “Goeiemorgen!” roep ik terug. Zijn gezicht zit altijd een beetje verfrommeld als hij net wakker is.
“Wat heerlijk! Wat een ochtend!”
Ik bel verder met mijn moeder. “Sorry, dat was de bovenbuurjongen,” zeg ik, maar ze heeft zich van mijn intermezzo weinig aangetrokken. Ze praat verder over Frankrijk, het opnemen van vrije dagen, en kinderen van collega’s, en ik weet dat ze meer voor zichzelf praat dan voor mij. Ik denk dat ze dat zelf ook weet, en daarom content is met mijn willekeurige ‘hmmhmms’. Wanneer ik weer oplet zegt ze: “Jij wilde als kind ook altijd al verder het water in. ‘Tot je knieën, en niet verder!’ – konden roepen wat we wilden, moest je toch een paar meter verderop aan je zwembandjes de Maas uit worden geplukt.”

Luc komt naar buiten met een ontbijt voor twee in zijn handen en kijkt bedenkelijk naar het bezette bierkrat. Hij besluit zijn dienblad bovenop het bosje van de buurvrouw te zetten. Ik brei een eind aan het gesprek met mijn moeder. (“Succes met het solliciteren hè” “Thanks mam” “Komt echt goed” “Weet ik, lief” “En we hebben het later nog over-“ “Is goed mam”). Voor ik ophang doe ik de groetjes over en weer, en hoor ik een smakgeluid wat een digitale kus van mijn moeder moet voorstellen.
Even met je ouders bellen.

 

_

 

Die avond loop ik voor het eerst zonder jas naar mijn Albert Heijn. Wanneer ik voor de winkel in de rij sta, lopen er drie meisjes van een jaar of tien langs. De outfits die ze dragen hangen ook in de kast van mijn huisgenoot die lid is van het vrouwenkoor(corps?). Begrijp me niet verkeerd, natuurlijk is er niets mis met de corduroy panterprint flared jeans in combinatie met een wit topje en roze klip waarmee de bovenkant van hun lange haren is vastgeklemd. Het zou tegen mijn principes ingaan andere vrouwen daarover te veroordelen, laat staan als ze, nouja, tien jaar oud zijn. Toch valt het me op dat ze eruit zien alsof ze niet kunnen wachten om op te groeien. Ik, die sta te wachten om een sickpack Holgerbier, een fles ginger ale, en een strip paracetamol te kopen, heb daar zo mijn bedenkingen bij.

Ik sta dit alles te verzinnen zonder dat ik doorheb dat de plek voor mij in de rij wordt ingenomen door de buurjongen. Pas bij het zetten van een collectieve stap vooruit heb ik hem door. Gelukkig staan we beiden al in het deel dat niet nog eens de bocht om hoeft. Je kunt iemand maar zo vaak vriendelijk groeten op één dag. Ik staar naar zijn achterhoofd, en voor het eerst spot ik in zijn oor een klein zilveren ringetje. Grappig.

 

Als ik de Albert Heijn uitkom, staat Marleen al op me te wachten. “Rustig aan,” zegt ze. Ze heeft een zonnebril in haar haar. Marleen is overspannen. Als iemand over iemand anders’ overspannenheid zou praten zoals Marleen doet over die van haar, zou ik daar wat van zeggen. Ook nu lacht ze mijn vraag over hoe het met haar gaat weg met de zin: “Vandaag lekker twee breakdowns gehad waarvan één in een meeting met een klant, ook echt helemaal inclusief janken, maar goed, cafeïne en vakanties Googlen, let’s go, toch. Nee maar prima.”
“Da’s niet best,” zeg ik.
“Tja,” zegt Marleen. “Het moet toch gebeuren allemaal.”

 

Eigenlijk begint het al fris te worden wanneer Marleen en ik aankomen bij de plek aan het water die ik zou omschrijven als: ‘gezellig industrieterrein.’ In het gras aan de oever staan hippe, verhoogde picknicktafels en bomen in bloempotten. Tussen de bomen hangt hetzelfde gekleurde lichtsnoer als op het balkon van Luc en Jemine.
We zien en voegen ons bij de rest, en ik dump mijn aankopen op het ondergekraste tafelblad. Ik verkondig: “Bier!” Denne, die ik eigenlijk het minst goed ken, vist het stripje paracetamol uit de tas en vraagt of het zo’n avond wordt. Dan pakt hij de ginger ale.
“Mag ik? Ik drink niet meer, vandaar.”
“O?”
“Ik ben mijn relatie met alcohol aan het herzien.”
Dat hoor ik dus steeds vaker, en waarschijnlijk zou ik er ook eens iets mee moeten. Maar niet vanavond. Ik trek een blikje open, en friemel aan het lipje tot die afbreekt. Ik gooi hem in de lege Radler die voor Denne staat. Ik heb een halve neiging om te vragen of Radler telt als niet drinken, maar bedenk me op tijd dat dat zijn zaken zijn.

Marleen is naast Maya gaan zitten. Ze zitten samen te swipen op één telefoon.
“Altijd uitgaan van de lelijkste foto,” zegt Marleen. “Maar huh, wat is er gebeurd met dino-feitjes-jongen?”
“Die begon dus over kinderen,” zegt Maya, “als grapje wel hoor. Maar toch, weet je wel?”
“Wow, ja. Die is leuk, swipe rechts.”
Het is een match. Er wordt gegiecheld, een eerste bericht verstuurd, en zo zomaar een begin van iets nieuws beloofd.

Ik open mijn eigen telefoon, en zie dat ik een melding van mijn mailbox heb. Ik klik vlug op het rode +1’tje. Terwijl de gesprekken van mijn vrienden langs me heen drijven lees ik het antwoord van de organisatie van een festival waar ik zelf al lang groot fan van ben, en die mij een week geleden hebben gevraagd een nummer te schrijven voor hun opening.
“Holy shit,” zeg ik, en ik geloof dat ik Maya onderbreek, maar dat niemand dat echt erg vindt. “Ik mag die gig doen!”
Marleen, die weet dat ik een dag heb rondgebeld naar ervaringsdeskundige vrienden voor ik durfde te vragen of deze creative effort ook wat zou schuiven, vraagt me of dat betekent dat ik dus betaald krijg.
“Eh, nee, dat niet.”
“Haha, voor de exposure zeker,” zegt Denne.
“Nouja, ja..”
“Luister, Wen, als jij hier geen geld voor vraagt, dan gaan wij, wij kunstenaars,” (hij maakt hierbij een gebaar dat ik alleen als ‘groots’ kan omschrijven) “nóóit eerlijk betaald krijgen hè?”
Ik kijk naar Marleen, en in haar ogen lees ik dat ze het met hem eens is, maar dat ze ook weet dat ik geen nee ga zeggen.
“Wel vet,” zegt Maya.
“Wel een eer,” zegt Walter.
Marleen houdt haar hoofd schuin. “Ja, en het ís toch ook wel zo dat exposure, of hoe zeg je dat, nouja, aandacht, gewoon chill is? Je moet toch ergens beginnen?”
Aan Denne te zien snappen we er allemaal erg weinig van. Dat is ook eigenlijk wel zo.

“Ik heb wel eens gedanst in de HMH, met K3. Die gast van Samson en Gert vroeg toen nog of ik met hem mee naar huis ging,“ zegt Maya. Ze leunt nogal nonchalant achterover, en als ze er niet zo zelfbewust bij had gelachen was het arrogant geweest.
Ik zoek oogcontact met Walter, omdat ik weet dat hij dit verhaal, net als ik, al te vaak heeft gehoord. Hij staat op, vangt mijn blik, en zegt: “Binnen kun je plassen en dekentjes halen.”

 

Aan één van de andere tafels draait een groep heel zelfbewust uitziende jonge mensen een nummer dat ik herken uit een Spotify lijst met lowfi study tunes. Ik loop door, maar draai dan weer mijn hoofd – ik heb opnieuw de buurjongen gespot. Dat vind ik zo opmerkelijk dat ik blijf staren, en iemand hem een elleboog geeft. Hij kijkt op en groet me, vriendelijk.
Ik groet hem terug, en kijk weer voor me. Grappig. De maan staat inmiddels helder aan de hemel, en morgen schijnt het weer gewoon te gaan regenen. Maar dat is pas morgen, denk ik. Ik adem in, en loop verder. Niet te ver vooruit. In de koud wordende avondlucht hangt de gemengde geur van gras, bier, en sigaretten, die alvast aan de zomer doet denken, maar eigenlijk aan de lente toebehoort.

 

Door Marlon Schotel

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s